Wees gegroet, Maria

moeder van God, bid voor ons, nu en in het uur van onze dood
Moeder van God, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood

Dit zeiden de nonnetjes die op 10 december 1962 in het Westeinde-ziekenhuis in Den Haag de hele nacht voor mijn vader genade afsmeekten. Hij beweerde achteraf dat dat had geholpen, de ongelovige, en verzon er ter plekke nog meer apocriefe zaken bij.
Dat hij het ongeluk overleefde – met zijn fiets onder een vrachtwagen – was een wonder en je zou bijna denken dat die nonnen toch iets voor mekaar hadden gekregen. Aan de andere kant, als je dan gelooft, waarom moest die arme man dan eerst onder die vrachtwagen komen? Daarover later mee.

Ik heb een vraag: als Maria dan toch bezig is, zou ze dan ook in een moeite de eenzame drinkers kunnen redden, die ’s nachts over de digitale snelweg dolen? Ik vind ze een beetje zielig en ik ben bang dat ze met hun dronken harses onder een auto komen.

Nordic walkers

De enige paal op het strand is de pispaal van Kwint
De enige paal op het strand is de pispaal van Kwint

Het was grijs en koud op het strand. In het zand konden we de sporen van de noddik wokkers zien. Ik probeerde het tempo na te doen door mijn armen te bewegen op het ritme van de gaatjes. Zo! Die waren stevig doorgelopen!
In de verte galoppeerden heel merkwaardig drie IJslanders, maar het waren onmiskenbaar IJslanders. Ze keerden jammer genoeg niet om.

Model monastère

Model monastère
Model Monnik

We vroegen een aantal jaren geleden eens aan de buurman of hij toevallig wist hoe we aan stro voor de cavia’s konden komen.
- Stro, stro, zei hij, wat moet je met stro, houtsnippers is veel beter.
Dat moesten we beamen, maar omdat we dachten dat we in het middeleeuwse gedeelte van Frankrijk zaten, vroegen we naar stro.
- Dat kun je in de Intermarché kopen, zei hij. We schrokken van deze nuchtere praat.
Maar, of we hem wilden volgen, want hij had misschien nog wel wat liggen in z’n werkplaats.

We liepen naar de schuren, passeerden de vleeskippenren en het oude huisje van oom Octave.

Houtwerkplaats

Bij het openen van de deur fladderden de zwaluwen op en vlogen rakelings langs onze hoofden. Hun nesten zaten in de hoeken van het lage plafond. De vloer van de werkplaats was bedekt met een halve meter houtsnippers.
- Tast toe, zei buurman.
We vroegen wat hij gemaakt had, dat zoveel snippers had veroorzaakt. Nou, dat was een tafel voor z’n dochter geweest, een eikenhouten tafel, wacht, hij had een folder.
Het was de aanbieding van een meubelfirma die verschillende types eettafel leverde, waaronder de monastère, een kloek model waar je nog minstens 500 jaar plezier van kon hebben.
- Hij is drie meter lang!
Hoe zwaar was die wel niet, vroegen we, een tafel van eikenhout en drie meter lang.
- 200 kilo!
Nou, nou, ongelooflijk. En hoe was die tafel helemaal in N. terechtgekomen, waar zijn dochter woonde?
Met de trekker van Jean-Pierre, een andere mogelijkheid was er niet geweest.
We waren diep onder de indruk en stelden ons die tafel voor, hoe die bovenop een agrarische remorque door dat boerenlandschap was vervoerd en de verbazing had gewekt van de mensen die hem in de verte boven de hegjes zagen voortglijden.

We vertrokken met een grote vuilniszak vol houtsnippers. En niet zomaar houtsnippers, eikenhouten houtsnippers. Wacht even, wacht even, kon je niet piepkleine zakjes eikenhout bij Duikelman of Kokenenzo kopen, om zelf zalm en andere luxegoederen te roken? Verdomd, 8,95 voor smoking chips met de smaak oak.
Een kassabel begon in de verte te rinkelen. Eerst naar de Intermarché om houtsnippers te kopen en dan een hippe verpakkingsontwerper en een afzetgebied zien te vinden. De winst gingen we natuurlijk delen met de buurman. De cavia’s moesten zich maar even behelpen met grenen.

Olifanten

Mensje van Keulen

Op 19 januari las Mensje van Keulen in het De Pintohuis voor uit eigen werk. Ik was haar sinds Bleekers Zomer (1972) helemaal uit het oog verloren, waarschijnlijk veroorzaakt door het snobistisch en arrogant lezen van veel Reve, Hermans en allerlei buitenlanders zoals Philip Roth, Salinger enz. Mulisch vond ik al van het begin af aan niet om door te komen.

Ik herinner me nu eensklaps, dat ik haar ooit, dat moet ergens begin jaren ‘70 zijn geweest, in Den Haag samen met Maarten Biesheuvel heb zien optreden, achter wie ze zich toen een beetje verschool. Was het het Bzztôh Theater? Of was het ergens in Leiden? Ik was daar samen met Robertine, dat weet ik nog wel.

Ze was in ieder geval niets veranderd, ze sprak met een zachte stem, een beetje verlegen misschien en ze was veel geestiger dan ik me kon herinneren. En dan dat Haagse! Dat wist ik helemaal niet. In Olifanten op een web, een autobiografisch boek, geschreven naar aanleiding van en over de dood van haar moeder, vertelt ze hoe het gezin eruit zag, waar ze in Den Haag woonden, hoe ze opgroeide, wat ze allemaal uitspookte en hoe bijzonder haar moeder was.
Een prachtig geschreven, herkenbaar en ontroerend boek, dat Olifanten, dat bij mij onverwacht weggestopte en vergeten zaken naar boven haalde. Dat hele Den Haag van vòòr 1968, toen we naar de bollenstreek verhuisden, kwam weer te voorschijn. De straten in Moerwijk met die wonderlijke namen, Betje Wolff en Aagje Deken, Melis Stoke , die pas later een betekenis bleken te hebben.

Mijn twee oudere zusjes en ik sliepen een tijdje met z’n drieën op één onverwarmd kamertje, want de enige kachel stond in de huiskamer, zoals bij iedereen in die tijd. Hettie en ik smeekten Doris, de oudste, om verhaaltjes, terwijl wij (H. en ik) met veel geschop en getrap bij elkaar in bed kropen en daar lagen te wachten tot het zou beginnen.
Doris begon ook, maar viel regelmatig tijdens het bedenken in slaap. We lagen maar met open ogen te wachten en te wachten, tot ze verder zou gaan en probeerden haar, als het te lang duurde, wakker te roepen, wat nooit lukte. Waarschijnlijk vielen we zelf ook in slaap. Ik zie het kamertje voor me, de kinderboekenkast met schoolborddeurtjes, bibliotheekje spelen met een heus kaartsysteem, keihard en overbodig roepen als de fluitketel gilde: “MAMA! Het WATER kookt!”, het gaat maar door en houdt niet op.

Let op, een fragment uit Olifanten:
Anneke en Danny bedelen ’s avonds in bed om een verhaal en hardop lig ik ze te verzinnen.
‘Er was eens een fietsenmaker die levend begraven was, maar ze waren vergeten zijn zakken leeg te halen…’
Ik ben zelf nieuwsgierig naar de afloop, maar ik kom er niet altijd uit.
‘En toen…’
‘Wat?’
‘O, wat er toen gebeurde met de arme fietsenmaker…’
‘Wat dan? Wat?’
‘Het was vreselijk…’
‘Wat dan?’
‘Morgen verder.’
Lees hier meer >>

Hoe is het toch weer mogelijk?

Ik bof toch maar weer met die bibliotheek om de hoek, die deze avonden samen met Pantheon boekhandel organiseert. Ik heb gisteren en vandaag twee boeken van haar gelezen en ga alles lezen. En die Bleeker maar weer opnieuw. Die scharrelt in het boek op de Geldersekade rond, nota bene hier om de hoek en wordt besprongen door een hele oude vrouw, Annie van 50.
We moesten allemaal lachen toen de schrijfster dat stukje voorlas. Nou ja, vijftig is ook stokoud als je vijfentwintig bent.