Pot&Grond 4

‘Die winter, die houdt nooit meer op,’ verzekert mij olijk de hoogbejaarde volkstuinder, van wie ik een drupje olie krijg tegen het hinderlijk piepen van het kruiwagenwiel.

Zijn tuin is geheel in tegenspraak met zijn opvatting en al keuvelend probeer ik over zijn schouder een blik op die pracht te werpen. Ik zou het bijna geloven als niet overal in de kale tuin tekenen van leven te zien waren. Het hele jaar staat de boel daar te bloeien en ik ben een boon als ik begrijp hoe hij dat steeds weer voor elkaar krijgt.

In mijn eigen kale tuin zijn gelukkig wel wat tekenen van leven te zien. E?¬©n kluitje sneeuwklokjes staat brutaal te bloeien Рdit jaar een maand later dan anders Рen met een vergrootglas kan ik de rode bloempjes van de hazelaar bekijken. Tussen het bruine bladerdek komen de Tulipa tarda, Scilla en Anemona blanda te voorschijn. Ik herinner me plotseling waarom ik geen Alliums wilde, nu ik ze zie verschijnen. Wat een armoedig groen hebben die uien toch. Alleen de biesloken (de gewone en de Chinese) staan er altijd fris en strak bij. Gelukkig bloeien ze allemaal beeldschoon.

Tussen de verse scheuten van de Helleborus orientalis ontdek ik tot mijn groete opwinding vijf zaailingen. Ik had het al een beetje gehoopt, want volgens Geoff Hamilton van Gardeners World zijn deze planten ??Æ???1?2extremely promiscgue??Æ???1?2, maar ondertussen blijft het me verbazen.
Een bruine boon die begrijp ik wel, die hebben we op de lagere school gehad, maar hoe uit de zandkorreltjes van de papavers en de Nicotiana zulke enorme prachtexemplaren kunnen groeien, dat weet ik niet.

Van alle zaadcatalogi die ik deze winter verslonden heb, bieden die van Cruydt-Hoeck en J.W.P’s Boemzaden de meest vermakelijke lectuur. De planten worden zo smakelijk beschreven dat ik bijna geen weerstand kan bieden. Nu zit ik wel mooi in de problemen want ik heb meer zaad aangeschaft dan ik plaats op de vensterbanken heb. En direct in de grond, daar zitten de hongerige slakken op te wachten.

Terwijl we de botanische sterfgevallen doornemen – zijn rozemarijn en negen vierkante meter van mijn klimop – denk ik aan de Ipheion uniflorim. In het herfstnummer van ‘Onze eigen tuin’ (1994) werd ze door Rita van der Zalm zo aangeprezen dat ik er grote hoeveelheden van heb geplant. Ze bloeien tussen februari en mei, maar dit koude en droge voorjaar zal ik die ‘bleekblauwe stervormige’ bloemen niet voor april zien. Eigenlijk viel ik geloof ik op hun Nederlandse naam: oude wijfjes.

Tegen de tijd dat ik er zelf echt een ben, wil ik ook zo’n tuin als deze uiterst beschaafde heer die nu de kruiwagenband oppompt met een fietspomp en een uit de handel genomen verloopnippeltje. Gelukkig bederft een manshoge foeilelijke betonnen tuinkabouter (‘voor de kleinkinderen’) de perfectie van zijn ouderwetse paradijsje.
lente 1996