Pot&Grond 3

Koekoek en andere vliegers.

In de Rododendron zoemen zoveel bijen en hommels dat ik het een beetje g?‚Äö?묢nant vind een zakje bijenbloemenzaadmengsel in de tuin uit te strooien. Maar vooruit, de roze reus bloeit niet eeuwig en ik wil deze zomer zoveel mogelijk sympathieke insecten over de vloer.

De pogingen om meer dieren mijn tuin binnen te lokken hebben succes en niet altijd tot mijn vreugde. In de kruidentuin wilde ik een vrolijk randje van bloeiende bieslook en daartoe had ik de oude planten gescheurd en weer geplant, maar elke keer was er een polletje keurig gekortwiekt als met een schaartje. Er restte nog 1 bloem. Ik betrapte de dader ‚Äö?Ñ?? ¬¨¬Æ‚Äö?Ñ?s ochtends vroeg, toen die op de Lobelia was overgegaan:


een waterhoentje stapte schoksgewijs en verontwaardigd weg, achterdochtig over haar schouder kijkend.

Dan de Houtduiven: wat er aan technisch inzicht in het algemeen van deze vogels mankeert en die van het nestbouwen in het bijzonder, ik weet het niet. Als ze aan komen vliegen.kunnen ze eerst al geen keuze te maken op welke tak ze zullen landen: ja die berk, neen die houdt me nooit, ik neem die dikke wilg wel, god daar zit al een merel etc, en zo blijven ze lomp en onhandig met veel misbaar klapwieken tot ze krakend een plek hebben gevonden.


Het is gelukt.
Vorig jaar kwam hun gammele nest regelmatig met donderend geraas uit de oude appelboom naar beneden, volgens mij omdat je daarin eenvoudig niet zo‚Äö?Ñ?? ¬¨¬Æ!”n groot nest kunt bouwen, maar dat vormde voor de tortelaars geen enkel beletsel steeds weer op dezelfde plaats een soort brandstapel op te trekken. Geen jonge houtduifjes dat jaar en deze zomer hebben ze gelukkig hun suffe oog op een meer geschikte boom laten vallen.

De Winterkoninkjes zijn jammer genoeg ook verhuisd, maar dat heeft alles te maken met het afsterven van de klimop, waarin ze vorig jaar woonden met hun gezinnetje. Er bestaat bijna niets vertederenders dan de vliegles van jonge Winterprinsjes en -prinsesjes. Ze zitten nog wel in de tuin, maar waar hun perfect gebouwde nest zich bevindt heb ik nog niet kunnen ontdekken. Volgens Thijsse (Jacq. P.) bouwen ze naast hun broedplaats wel een tiental speelnesten en ik zie ze dan ook steeds rondvliegen met bouwmateriaal, tussendoor luidkeels zingend met veel trillers.

Dit voorjaar heb ik eindelijk al het dode hout weten te verwerken tot een enorme takkenwal die mijn tuin aan ?©?©n kant afscheidt van de rest van Volkstuindersdorp. Hierbij heb ik allerlei vliegen in ?©?©n klap geslagen: ik ben de oude takken kwijt, ik heb een schutting, helemaal voor niks en zeer fraai van vorm, en ik heb een schuilplaats gebouwd voor allerlei dieren. Mijn grootste hoop is gevestigd op de komst van een Egel, die bij mij vergelijkbare gevoelens oproept als de Winterkoning. E?©n keer, jaren geleden zag ik een Egel met haar drie jongen zonnen -oogjes knipperend tegen het licht en gapend- zo hartverscheurend dat ik onmiddelijk was verkocht. In afwachting hiervan laat ik reuzepompoenen de wal begroeien uit een provocerende excentriciteit.

Terwijl ik met hout sjouw, krijg ik als vanouds ongevraagd commentaar van voorbijgangers, die steeds weer blijk geven van de absolute afwezigheid van enig inzicht, een soort Houtduiven zeg maar, mutatis mutandis dan en dat alles verkondigd met een zelfgenoegzame tevredenheid die op niets dan domheid stoelt. Ik probeer er dit keer ongevoelig voor te zijn door mijn oren te richten op de vogelgeluiden en te kijken welke ik allemaal herken, de merel, houtduif, mus, de meerkoet, koekoek, roodborst, vlaamse gaai, de koekoek, spreeuw, waterhoen, lijster, de koekoek, winterkoning, reiger, de kauw… Koekoek, koekoek? Een duister vermoeden rijst in mij op en ik tel de roep van de koekoek terwijl ik op mijn horloge kijk. Ik besef woedend dat ik voortdurend met vertedering geluisterd heb naar de koekoeksklok van de buren rechts die op zondag ook wel eens een jodelplaatje draaien.

februari 1996