P?®nk


2cv uit Perpignan

Ik ben slinkse wijze het Palais de Congres ingekomen: met eerlijkheid bereik je niks, zoals iedereen weet. De voordeur zat potdicht, maar de achteringang was open.
Heeft u een stand? vroeg de portier streng.
Ja, natuurlijk! loog ik.
Dus nu zit ik in mijn eentje in de zon, terwijl de serieuze standhouders een paar verdiepingen lager in een benauwde ruimte hun kraampjes op orde brengen, HA!

Ik werd vanochtend wakker gemaakt door een vertrouwd geluid en was net op tijd om het knullige inparkeren te zien. Geen bordje met ?† vendre.


Hier zit ik nu naar te kijken

Gisteren was geen kijkdag, maar een kletsdag, ik was ‘s avonds helemaal schor en dat wil wat zeggen, want ik kan geen vijf minuten mijn snuit houden. Ik raakte in gesprek met een Canadese vrouw met man die net zo gefrustreerd als ik internet op wilden, op het moment dat de server eruit lag. Ik had mijn stekkertje in hun stekkerdoos gestoken. Dat waren duidelijk doorgewinterde congres- en festivalbezoekers, want wie neemt nu zijn eigen stekkerdoos mee? Iedereen wilde wil bij hen inpluggen, mobiele telefoons, tandenborstels, laptops, in afwachting van de verbinding, die trouwens verder niet meer kwam.
Toen we ons aan elkaar voorstelden, bleek dat ze gewoon mevrouw Meyst was, van Frits, die naast haar zat, onze fotograaf in Turkije, die nu in de spannende loisir-fotografie zit. Ze zouden zaterdag weer in de Alpen een of andere halsbrekende sport gaan fotograferen.


Een net aangelegde cactustuin

Op weg naar huis om de computer weg te brengen, passerde ik een oude heer, die ik vriendelijk gedag zei. En ja, hij greep de gelegenheid met beide handen aan, toen ik vroeg of het ging.
“Ik heb een ongeluk gehad, (aksidank), waardoor ik twee maanden geen idee had wie ik was. Op een gegeven moment vroeg mijn broer, wijzend op een nummerbord, wat zie je? WAT ZIE JE? ZEG ME WAT JE ZIET! (hij verhief zijn Catalaanse bibberstemmetje). Ik zag niks, mijn broer vroeg weer, ZEG ME TOCH WAT JE ZIET!, en toen zag ik het: dat is mijn auto!”
Zijn geheugen was aan het terugkomen.
Komt u uit Perpignan, vroeg ik. Neen, uit de bergen, hij gebaarde in een richting, ik kom uit Spanje, toen ik jong (zjeunk), hij gaf zijn lengte van toen aan, en er was niets! (ri?®nk), er was geen brood (p?®nk), niks, dus toen ben ik de grens overgegaan en daar zit ik nu nog. Helemaal geen brood (p?®nk)!
Vervolgens begon hij een verhaal over uniformen en oorlog en dat ze gevraagd hadden, wie heeft het gedaan en dat ze die man toen hadden vermoord, (gebaar van keel doorsnijden), maar waar het allemaal precies over ging, werd me niet duidelijk door dat ongelooflijke accent. Putain, l’accent! om het maar eens met de Canadezen te zeggen.
We namen hartelijk afscheid.


Ook weer door Josh Robenstone uit Australi?´ gekiekt

‘s Middags hing ik weer gezellig met collega E. op het terras van La Poste, waar het VISA-publiek ouderwets flaneerde. Er is een bepaalde mensensoort die, als je met ze praat, voortdurend om zich heen kijkt om te zien of er niet een interessantere gesprekspartner aanwezig is. Die komen vooral bij dit soort gelegenheden bovendrijven. Tjesus, wat wat is dat stomvervelend, zeg. We vermijden ze, zodra we ze herkennen.
We eindigden met de bekende Australische fotograaf Josh en de Amerikaanse Rachel (heeft in Ruwanda gefotografeerd) in een tapasbar, toen ik besloot het festival die avond voor gezien te houden: vroeg naar bed.


Glaasje wijn met tapas

Onderweg maakten de zigeunergezinnetjes avondwandelingen, de kindertjes in pyjama en badjasjes holden vrolijk om hun jonge, al flink uitdijende moeders heen.