Druk!

Gisteren was ik – kantoorjuf – zo lamlendig dat ik een siestaatje heb gehouden. Maar eerst moest er naar de markt gegaan worden en behalve van alle standaardkramen: geitenkaas en vlees van de moeder en de oom van de slisser, houden we vooral van de Spaanse kraam.

Alleen de gedachte aan de tapenade met koriander doet mij (en Yeva) letterlijk watertanden. En de Baskische kaasverkoper is dan wel heel erg duur, de brebis is verrukkelijk.

Verder heb ik alle drie de delen van de tuin waarin moet worden gezaaid ontdaan van onkruid, alles met de hak, jawel en dat valt niet mee, hoewel het een ideaal werktuig is.
– Je bent het niet gewend, giechelde Simone, toen ik haar van mijn slappe kantoorfysiek vertelde en de noodzaak tot middagtukje. Dat deed zij ook altijd, maar zonder in de tuin gewerkt te hebben. Ze heeft nog nooit iets gedaan, volgens haar vriendin Lucienne A., wat die niet nalaat steeds maar weer te melden. Daar moet ik altijd weer om lachen, vooral als ik erin slaag haar die uitspraak te ontlokken. Dat lukt altijd.

Bij het zuring- en brandnetelhakken stuitte ik op de topinamboer van Margot. Die was – zonder ooit te bloeien – in september omgevallen, waarna ik hem eigenlijk was vergeten. Het voelde als de vinden van een begraven schat, zoveel knolletjes! Ik heb een gedeelte laten zitten en ik heb er een paar op een andere plek in de grond gestopt. Deze moeten nog.

De tomaten moeten in potjes, zodat ik ze aan de buren kan geven. Ze zijn nog een beetje te klein voor de grote boze wereld van de tuin. Ik ga zo weer verder met een omheining van waslijn maken, niet tegen vernielzuchtige herten of andere dieren, maar voor het buurmeisje, als die tenminste in onze afwezigheid ons veld wil maaien. Ik moet het haar nog vragen.