Grote honden


Bess in haar eentje tegen de grote, boze wereld

Toen we in 1968 verhuisden van Den Haag naar Voorhout, hielp tante Coby ons, de nicht van mijn vader. Tante Coby was in mijn ogen een reusachtige vrouw en ze was getrouwd met ome Gerrit. Volgens mij zeiden we gewoon oom Gerrit, maar ritmisch liep dat gewoon lekkerder, tante Coby en ome Gerrit.
Mijn moeder – een moderne vrouw – had in die tijd een plastic schort met ijzerdraad verstopt in de taille en het lijfje. Je hoefde alleen maar de grepen uit elkaar te buigen, en hup! daar zat het schort al als gegoten. Tante Coby noemde het schort oom Gerrit, als ze voor ons zorgde, wanneer mijn moeder weer eens tien dagen in de kraamkliniek verbleef. Ze dacht trouwens dat appelmoes groente was en wij maakten haar niet wijzer: had je de keus tussen andijvie en appelmoes, ha, geen probleem.

Ze stond op de dag van de verhuizing in de ouderlijke slaapkamer tussen de dozen naar buiten te kijken, met zicht over de weilanden tot aan de duinen bij Noordwijk, toen Bammie, mijn eerste hondje binnenkwam. Ze greep het beestje, wees naar de kudde blaarkoppen buiten en zei: Kijk nou toch, wat een grote honden!
Bammie, een half jaar oud, zag niks.

Naderhand zijn ze nog gebrouilleerd geraakt, maar waar dat over ging, geen idee. Er verdwenen wel vaker plotseling mensen van het toneel, die niet meer welkom waren. Tante Annie en oom Herbert, die helemaal geen familie waren. Die hadden een brommer.

Bess is met tante Coby eens, ze blaft als een bezetene: weg met die stomme poedels!

One thought on “Grote honden”

  1. Toen onze moeder weer eens opsomde wat er allemaal niet deugde aan Tante Annie en oom Herbert, vroeg ik, waarom ga je dan met ze om. Het zijn toch aardige mensen, was haar antwoord. (?????)

Comments are closed.