
Bij het ochtendkrieken
Ik streef ernaar mijn luiken eerder dan de buren open te werpen, een tot mislukken gedoemd project. Meestal word ik wakker van het openen zelf en dan is het te laat, hebben ze weer gewonnen. Die luiken knerpen met een snerpend gepiep van ijzer. Dat is heel handig als bijvoorbeeld de klok is blijven stilstaan, of als je de tijd in het algemeen uit het oog verloren bent. Shit, is het al zo laat?
Maar helaas moet ik het onverwachte overlijden melden van mijn allerliefste clematis montana, zelf gekweekt en de afgelopen jaren tot grote woekerhoogtes gekomen en daarom begrijp ik het niet helemaal. Ik had hem waarschijnlijk niet bij volle maan hebben moeten planten of zoiets.

Neen, geintje, het is of de vorst geweest, of – en dat is waarschijnlijker – er heeft een of andere onverlaat aan de basis zitten knagen. Ik heb er toch een paar stekken van genomen, waar nog een beetje leven in zat, dus wie weet lukt het nog. Verder zijn de oleanders volgens verwachting niet meer tot leven te wekken, wel de geranium, die ik in oktober al had binnengezet. En dan hebben we daar nog de vlinderstruik, die vorig jaar al erg veel moeite had te overleven en dan ook nu de pijp aan maarten heeft overgedaan. Gelukkig had ik daar per ongeluk een stek van genomen en die staat weer wel vrolijk uit te botten op een heel andere plek in de tuin. Daar staat weer tegenover dat de bieslook hierboven gratis is komen aanwaaien.
Ik ga ook geen onmogelijke planten meer onderhouden, hoor. Als het te koud, te droog, te nat, te zonnig of te donker is, dan zoeken ze het maar uit. Tu veux ou tu veux pas, zou ik met Brigitte Bardot willen beweren. Tu veux pas? Tant pis dan maar weer.

Ik kwam deze blauwe tor ter grootte van een knoestige arbeiderspink op het tuinpad tegen
Een gesprekje over onze kruipende en vliegende vriendjes met een van de buren.
- Een slang? Doodslaan! (de buurman)
- Maar waarom in vredesnaam? (ik, Bataaf en stadsbewoner)
- Ik vind ze niet prettig (agréable), geen enkele slang.
- Nou nou, als je iedereen maar gaat doodslaan, die je niet prettig vindt, blijft er niet veel over.
- Maar dàt doe ik niet! Vogels sla ik niet dood..
- Ja, zeg! Dat is ook niet zo eenvoudig, die krijg je niet te pakken. En kippen dan, en eenden en parelhoentjes? Dat zijn ook vogels.
- Nou ja, die hier vliegen, bedoel ik. Slangen wel. En kikkers en padden.
- Neen toch! Die beesten doen geen kwaad. Die slang (het was een ringslang), die is ongevaarlijk, die doet helemaal niks, het arme dier. Trouwens, ze doen wel wat, ze vreten die vermaledijde slakken, dus ze zijn nog nuttig ook.
- Maar ik vind ze niet prettig. Vooral padden.
- Ach, padden, die zijn zo zoet. Die diertjes doen helemaal geen kwaad, toch? Ze zitten onder een steen.
- Nou, neen, nu je het zegt, dat is eigenlijk wel zo.
Enzovoorts. Ik weet niet of mijn eco-wijfachtige praat enige zood aan de dijk zet, want waar bemoei ik me mee? Dit is – uitzonderingen daargelaten – de algemene opvatting over reptielen en amfibieën. Alles wat kruipt, is afstotelijk. daar komt het op neer. En ik moet toegeven, sommige zijn ook eng. Dat komt natuurlijk door het eeuwenlang hameren op dat verhaal van Eva met die slang.
Neen, neen, ik ga niet opnieuw beginnen.








Laatste reacties