Ik vond al een paar plantjes zieltogend naast de andere liggen, uit de aarde getrokken door vogels, dus het werd tijd voor drastische maatregelen. De vogels die dingen uit de grond trekken zijn hier de duiven en de merels. Ik heb sterk de indruk dat het dit jaar een enorm goed mereljaar is, de bedelende jongen zitten werkelijk overal.
Die jongen zijn al zo groot als hun ouders, die zich dat gebedel nog laten aanleunen. Het zal wel iets zijn waar ze zich Darwinsgewijs niet tegen kunnen verzetten. Bibberend diertje met opengesperd snaveltje: ik pavlov er maar weer een worm in.
Ik heb een tankwall opgeworpen in de vorm van een tak, zodat het erg onhandig wordt eens lekker te sjorren en zo vallen de planten ook minder op. Er is toch veel te zeggen voor een moestuin waar de groente nonchalant tussen de bloemen staat. De vernielers zien hun te vernielen objecten dan niet. En de cd-romguirlande natuurlijk. Dit keer Photoshop Elements. Het werkt, want ze hebben ze tot op heden ongemoeid gelaten. De plantjes beginnen al op echte venkels te lijken, nietwaar?
Nagekomen mededeling:
Die dahliastek van 20 maart is uitgegroeid tot een fraaie plant van 1 meter. Geinig toch dat zoiets werkt.
(Ik lees drie boeken tegelijk en val na 2 bladzijden in slaap. Ik zou eens vakantie moeten houden om eens goed door te kunnen lezen. Dat komt, dat komt.)
Een paar dagen geleden zag ik op het fornuis van de buren, een reuzekoekenpan met paddestoelen lekker staan te wezen. Die verrukkelijke geuren!
– Oh, die staan nu overal, zei Paulette desgevraagd. We hebben het over c?¬Æpes en girolles, bij de Bataven beter bekend als eekhoorntjesbrood en cantharellen. Leuk bedacht, maar waar ze dan overal staan, mag Joost weten.
– Is het geheim?
– Neen, hoor.
Dat schiet op.
Het zat er dik in, ik had net ingelogd en wilde beginnen, toen Paulette meldde dat het vandaag escargotdag was. Bij de schuren was ze aan het selecteren (de enkele dode eruit) en tellen. Bij elk 100-tal legde ze een steentje bij het stapeltje dat er al lag. 746.
De slakken werden heel handig bewaard in een trommel van een wasmachine, een bovenlader, want die kan dicht. Hoe lang die slakken moesten ontslakken, waar immers die woordenwisseling een paar dagen geleden over ging, bleek er helemaal niet toe te doen: er zaten er van die ochtend bij.
Ze werden met flink wat zeezout bestrooid en gehusseld om ze aan hun einde te helpen en het zout diende daarbij als ontsmetting. De arme dieren begonnen onmiddellijk grote schuimbellen te produceren. Dat duurde een uurtje. (Hoelang duurt dat? Oh, ik weet niet, ik kijk niet op de klok)
De massa werd vervolgens bespoten met een krachtige waterstraal, om het zout en klodders slijm weg te spoelen. Ondertussen was de zus van JP en dochter van Paulette gearriveerd, want wat was dat een werk, slakken! Zij runt met haar man ook een boerenbedrijf met Limousinvee.
Toen de slakken schoon waren, moesten ze een paar minuten in heet water om het uitpulken te vergemakkelijken. Dat gebeurde natuurlijk in de keuken, waar het houtfornuis op volle toeren draaide. Grootmoeder zat al klaar.
Brandt het fornuis het hele jaar? Tuurlijk, je moet toch koken? Dat is waar, maar wordt het dan niet ontzettend warm in de zomer? Och.
Dat koken duurde zoals gezegd maar even en na het afgieten buiten in de greppel – riool of een ander soort afwatering hebben we hier niet – gingen we gedrie?¬¥n met een opinelletje de slakken uit hun huizen trekken. Steek de punt van het mes in het stuk slak dat nog net zichtbaar is en trek hem naar buiten. Het handigst gaat dat als je het huis mee laat draaien. Die slakkenhuizen waren nog ontzettend heet, en dat moest ook, want koud zouden ze weer in hun coquilles vastkleven, door mij abusievelijk maisons of villas d’escargot genoemd. Flauwe grappen is my middle name.
Nu moesten we het vieze gedeelte (merde) van de slak afsnijden, waarbij ook nog allerlei andere onderdelen werden verwijderd. Daar waren moeder en dochter het niet over eens. Je hoefde feitelijk alleen het achterste gedeelte met poep en ingewanden weg te snijden, de rest was vlees. Hier snijden ze bijna alles weg.
We begonnen nu met z’n vieren, want Germaine deed gezellig mee, terwijl vader van buiten naar ons keek met z’n ellebogen op de vensterbank. We zaten aan tafel en kletsten ondertussen wat.
In Deux-S?®vres hebben ze weer een andere methode van bereiding, zei de dochter. Deux-S?®vres? Daar woont en werkt Beer Bergman, een mooie gelegenheid om eens te vragen wat zij ervan weet.
Om twaalf uur waren we nog lang niet klaar, maar er moest gegeten worden. De uitnodiging om mee te eten sloeg ik natuurlijk niet af. We waren met z’n zessen, JP at ook mee. Allerlei heerlijks, meloen, een soort warm kaasbroodje, konijnstoofpot, kaas en taart. Geen wijn, want alcohol drinken ze in ons dorp nauwelijks, zoals ik al eerder heb gemeld.
Maar dat konijn! Ik heb nog nooit zo’n heerlijk konijn gegeten! Wel zielig natuurlijk, maar dat zijn die slakken ook. Na het eten en het weerbericht op TV (kan er worden gehooid?) zette Paulette een pan op voor de court-bouillon. Tijm, een prei, een of andere knol, meer zag ik niet.
Om een uur of 4 konden de slakken met z’n 746-en de pan in. Maar eerst nog bestrooien met zeezout, frotten (frotter) en weer spoelen. Daarna drie uur laten trekken en hup, de diepvries in. Bij feestelijke gelegenheden komen ze weer te voorschijn. Inderdaad, wat een werk, vooral als je bedenkt in welk razend tempo ze opgegeten gaan worden.
Gisteren ging ik met potlood en blocnote (bloknoot) naar Paulette en familie om ze het geheim van de escargots te ontfutselen. Paulette was er nog niet, maar wel haar man en moeder, die ik meteen vroeg naar die slakken. Oh jee, dat ontaardde in een gekibbel van jewelste.
Eerst moest je ze een tijdje in een afgesloten doos bewaren met wat brandnetels. Of het nu 2 of 3 weken was, daar ging het gekrakeel over, en ik zat erbij en keek ernaar. Germaine trok zich niets aan van de opwinding van haar schoonzoon, maar bleef onverstoorbaar en met ondeugende oogjes doorvertellen wat je daarna allemaal moest doen en op welke problemen je eventueel kon stuiten.
Paulette was inmiddels gearriveerd en maakte een einde aan het bekvechten door me uit te nodigen voor een dagje slakbewerking, want het was eenvoudiger het met eigen ogen te aanschouwen. De ene slak was bijvoorbeeld de andere niet en sommige kwamen makkelijk uit hun huisjes, maar andere klampten zich wanhopig vast.
De koeien beneden spotten de bazin onmiddellijk, begonnen te loeien en bleven aan een stuk naar ons staren. De eersten liepen al omhoog, kalfjes er achteraan.
– Wat willen ze eigenlijk, vroeg ik.
– Naar een andere wei (changer les champs), zei ze, maar eigenlijk zeuren ze alleen maar, omdat ze me zien.
We schepten de emmers vol, de eend zakte 30 cm dieper en reden weer naar beneden. Die mest rook naar niets, want die lag er al een paar jaar.
– Ik vind koeienmest lekker ruiken, had ik al eerder verklaard. Dat vonden ze allemaal om te lachen.
– Vergeleken met kippen- of varkensmest, of hondenpoep, of wat dacht je van de uitwerpselen van mensen, bah, getver.
Ja, zo beschouwd had ik gelijk, kippenmest rook bv niet erg aangenaam.
– We ruiken het niet meer, zei Germaine, we zijn eraan gewend.
– Het is de geur van het platteland (l’ar?¬•me de la campagne).
Ja, jongens en meisjes, ik heb iets van een dichter.
Terwijl ik achter de computer zat, werd er geklopt. Dat was mijn lieve buurman Paul (86 of daaromtrent) die een bos irissen met drie verschillende kleuren kwam aanreiken. In augustus zou ik de wortelstokken krijgen van de kleuren die ik nog niet had, beloofde hij.
Binnen keek hij met verbazing en plezier naar de zwaluwtjes van Beleef De Lente, toen daar nog eens bovenop Siebe belde via Skype. We zwaaiden met z’n twee?¬¥n vrolijk naar Nederland. Wat een geweldige uitvindingen, internet met camera.
Op de markt kocht ik uit luiheid een kant-en-klaarmaaltijd:
een jambonneau
en een halve aardappeltaart met geitenkaas
en een kropje sla van 19 april uit de tuin
Jammer dat ik dat laatste onderdeel nog zelf moest bereiden. Toetje: zie ontbijt.
En hup, weer aan het werk.