Foin

Zaterdag – dat is alweer 4 dagen geleden – was Jean Pierre tenslotte bezig met rollen hooi maken. Toen ik geluid hoorde, holde ik de wei op met mijn hark, klompen en schort en kon gelukkig nog net de laatste stapeltjes gedroogd gras helpen draaien, waar hij met zijn machine niet bijkon. Zijn grootmoeder Germaine met hoedje en antieke hark stond stralend op het land. Haar dochter (JP’s moeder) en ik deden het werk. De dames spraken onderling patois en elke keer als Germaine mijn blik ving, vroeg ze gretig:”En? Versta je het?”.
“He? Natuurlijk niet!”
Nu spreken de dames met zo’n accent dat in mijn oren het patois bijna niet van het Frans is te onderscheiden, ik bedoel soms zijn die klinkerwisselingen niet meer te herleiden, maar verder is het zo ongeveer nog wel te volgen. Ze praten trouwens nergens anders over dan over het weer, of ze naar huis moeten, of de kippen moeten eten, dat het vorig jaar zo droog was en nu zo nat, de sneeuw van februari, dus inhoudelijk is het zelfs wel zo’n beetje te raden. Germaine legde me het semantisch allemaal uit en liep na afloop het allersteilste weggetje af naar beneden. Dat doet ze al zo’n 86 jaar, dus waar maak ik me druk om, maar toch kreeg ik er licht de zenuwen van. Een zandpaadje met keien. Als het geregend heeft, is het spekglad.

Toen ik de volgende dag op weg naar het station aan haar klein-schoondochter (of hoe je dat noemt) mijn bezorgheid uitsprak, beaamde ze die met een zekere berusting.
“Maar wat kun je er aan doen? Ze loopt al haar hele leven dat paadje af. Ze vindt de hooitijd de heerlijkste tijd van het jaar, ze wil er deel van uitmaken.”
Ja, dat is ook weer zo, groot gelijk.

We stapten in de trein, waren in drie uur in Parijs, dronken daar een kopje koffie, reden in een bijna lege metro naar Gare du Nord en kwamen daarna met bijna een uur vertraging aan in Amsterdam, omdat er in Brussel geen treinpersoneel was. Wat? Ja echt.

En nu maar weer wachten tot we weer mogen. Vandaag nog maar twee weken. Neen, het valt reuze mee.