
Hij bloeit eindelijk
Ik had mijn cameraatje wel bij me tijdens de begrafenis, maar kon me er niet toe zetten foto’s te maken. We waren blij dat we erbij waren, we waren er dan ook bijna allemaal, zelfs de meeste niet-permanente bewoners.
Simone noemde me altijd: ma petite Elisabeth, eigenlijk vergelijkbaar met mijn moeder die Elsje zei. Ik beschouwde haar als mijn adoptiemoeder. Ik zei dat een keer tegen haar man, toen ik weer eens ongerust belde: elle est comme ma m?®re en hij zei: je sais, je sais. Ach, jongens, wat een verdriet.
We blijven hier nog even, vrijdag de ensilage van de mais, vertelde Jean-Pierre tijdens de lunch waar we heel hartelijk samen met de andere buren voor waren uitgenodigd. Wat is dat in vredesnaam? Ik heb het opgezocht: ensilage.

Reine-Claude vernield door een beest, er liep vorige week een sanglier te scharrelen
Daar vond Michel Chenier ons, de commune-opzichter die onze watermeters wilde opnemen en zijn kans schoon zag, toen hij ons in de kerk had gezien. Hij had niemand thuis getroffen en hij begreep er niets van. Ha, wij zaten aan een van die heerlijke poulets ?† rotir bij de buren.
Het gesprek ging over water. Deze zomer heeft het nauwelijks geregend. Onze commune heeft z’n eigen bronnen en die zijn na drie maanden bijna op. Elke dag komt er precies genoeg water binnen om aan de dagelijkse behoefte van de bewoners te voldoen, maar daar is ook alles mee gezegd. Het moet echt flink gaan regenen binnenkort, maar ook deze week is het alweer boven de 30¬¨?C en er is geen wolkje te bekennen.
Je raakt er wel een beetje van slag van, dat verdriet, het ‘s nachts rijden, het gebrek aan slaap en het heen en weer geslingerd worden tussen de mensen en de plaatsen waar je van houdt. Waar ik je zeg, moet ik zijn.
Morgen ziet alles er anders uit, als we een beetje uitgerust zijn.