Tajine of tagine

Een heel handig gerecht voor luie kokers, deze Marokkaanse stoofpot, dat eigenlijk in zo’n merkwaardige kleien pot met puntdeksel gemaakt moet worden. Ik gooi gewoon alles in de wokpan van de HEMA.
Ui, courgette, tomaat, paprika (geroosterde uit een pot van de DIRK), vis of vlees (kip, lam, geit), bouillon, geschilde aardappel en een heleboel kruiden: gemalen korianderzaad, kaneel, komijn en bergen verse koriander. Alles in de genoemde volgorde toevoegen, behalve de droge kruiden, die kunnen met de uien in de olijfolie mee, heel, heel zachtjes pruttelend gaar laten worden, een beetje couscous ernaast met munt en/of kleine tomaatjes en klaar is Kees. Alle andere variaties zijn mogelijk.

Een vriend van ons werkte toen ik in Groningen woonde, als gastarbeider in het slachthuis. Zijn werk bestond uit het de vriescel in en uit sjouwen van grote stukken bloederig vlees en hij werd op een gegeven moment zo moedeloos van dat uitzichtloze bestaan, dat hij er van het ene op het andere moment mee kapte en het allereerste Marokkaanse restaurant in Groningen begon.
Daar kregen we voor het eerst (1975) dit heerlijks te eten.

Hoe ik via hem ook nog aan mijn poes Giro (overleden op 23-jarige leeftijd) ben gekomen, is een lang verhaal en vertel ik de volgende keer.

Lutjebroek

Mijn coeur de boeufjes groeien eindelijk, nu het weer warmer is. Ze waren twee weken geleden paars van de stress. Nu staan ze in nieuwe potten ontspannen in de goot.
Mevrouw A. van de schuur vertelde me – toen ik haar uit pure heimwee belde – dat het non-stop geregend had. De tuin was niks, zei ze, nat nat en nog eens nat. Deze ochtend scheen de zon toevallig weer eens.
Begin juli is het toch wel zomer?, smeekte ik haar.
Veel vertrouwen had ze er niet in, maar ze verheugde zich net als ik op het weerzien. Toen ik zei dat Kwint (le petit Toutou) bij het overstappen in Parijs voor het eerst van zijn leven tegen de Eiffeltoren aan mocht gaan pissen, schaterde ze het weer uit. Heel goed voor mijn zelfvertrouwen als iemand om mijn flauwe grapjes lacht.
Maar goed, R. en ik gaan dus de eerste week van juli met de trein naar La Souterraine. Ik heb de laatste tijd twee films gezien waar die plaatsnaam in voorkomt, en beide keren hebben de acteurs geen flauw benul waar het is. (“De Creuse, de Creuse?”, Josiane Balasko in Sac de Noeuds die verbijsterd naar de kaart staart, “Waar ligt in godsnaam de Creuse?” en een keer in Le charme discret de la bourgeoisie of Le fant?¬¨‚Ä¢me de la libert?¬¨¬© van Bunuel, in welke weet ik niet meer).
Een soort Lutjebroek lijkt me, m.a.w. algemeen voor een achterlijk gat: houden zo.

De Canadees van 19 mei is gaan bloeien. En voor wie de Franstalige Canadees nog niet kent, ik kom niet meer bij van het lachen als ik deze filmpjes bekijk. Je moet er wel even inkomen, in dat wonderlijke Frans.
(Met dank aan Hollandais en France)

Bobby James

Toen ik een paar dagen geleden met de hondjes over de Binnenkant liep (die op dit moment open ligt en daarom meer geschikt is voor wandelen, want door het ontbreken van snelverkeer loop je niet elke keer een bijna-doodervaring op), drong naarmate ik dichterbijkwam een steeds heftiger rozegeur mijn hersens binnen.

De roos was me nooit eerder opgevallen. Er staan bij ons in de buurt wel meer flinke klimplanten tegen de gevels, zoals de Blauwe Regen (in de Henri Polaklaan bv) , een klimhortensia en een aantal rozen, maar zo sterk had ik ze nog niet geroken.

De naam ‘Bobby James” kwam vanzelf bovendrijven, hoewel het natuurlijk ook een Kiftsgate zou kunnen zijn. Ze bloeien 1x per jaar. (De Kifstgate bloeit eind juni, lees ik, zo erg is het klimaat nu ook weer niet van slag, dan moet het haast wel Bobby zijn.)

Ik weet nog niet of ik hem Frankrijk wil. Misschien kan hij over de buitentuinmuur, hoewel de doorns en het 1x bloeien bezwaarlijk zijn. En ze hebben bijna altijd iets, die rozen, is het geen luis, dan is het wel vlektyphus.

Daar ga ik deze zomer eens over nadenken. Toch maar een New Dawn? Of helemaal geen roos, dan heb ik ook geen gedonder.

(P.S. Ik liep er net weer langs en de paradijselijke geur heeft me overtuigd. Als ik hem in het najaar plant, dat heb ik elk jaar een paar weken deze verrukking. Als ik daar eenmaal woon tenminste. En daarna de bottels.)

Bakgemak

Nigella Lawson heeft een van de heerlijkste recepten voor cake en als je je aan haar instructies houdt, kan het niet mis gaan. Een cake maken lijkt zo gemakkelijk, maar die arme Saar, die haar hand niet omdraait voor allerlei ingewikkelds zoals chocolekkers, had de laatste twee keer de pech dat haar cake bleef waar die was: plat op de bodem van het blik.
Nu is het nogal essentieel dat je de laatste handeling – het toevoegen van het zelfrijzend bakmeel – met beleid uitvoert, aan de andere kant kan ze misschien per ongeluk ook best gewone bloem hebben gebruikt. In ieder geval, ik heb twee keer deze Nigellacake gebakken en hij is volmaakt, al zeg ik het zelf.

Wat stopt dat Engelse vrouwtje erin:
240 gr boter (kun je de rest gebruiken om de vorm in te vetten)
200 gr suiker
citroenschil of vanille (dat laatste kopen we bij de Chinees)
3 grote eieren (we doen 4 kleinere)
210 zelfrijzend bakmeel
90 gr bloem (elke keer een eetlepel tussen de eierenklop)
en dan doen wij weer er weer 250 gr rozijnen bij (geweekt, gedroogd en voorzien van een laagje bloem, opdat ze niet naar beneden zakken, tip van de Ouwe de Korte)

Oven voorverwarmen (etna 3) en dan de gewone cakebeslaghandelingen verrichten:
boter zachtroeren met de suiker, de citroen of vanille, een voor een een ei erbij, lang kloppen, na elk ei een eetlepel bloem en dan heel voorzichtig het zelfrijzend bakmeel er doorheen scheppen. Tenslotte, of in dezelfde beweging de rozijnen. Tot en met de eieren gebruik ik de keukenmachine, dan kun je ondertussen iets anders doen, een kopje thee drinken, of het blik invetten. Het meel mag je er absoluut niet met de keukenmachine doorheen slaan, dan rijst hij niet.
Vlak voordat de boel de oven ingaat, moet je er een laagje suiker over strooien, dat geeft een heerlijk zoet, krokant korstje.

Dit weekend heb ik ook nog een van favorieten van Yeva en mij gemaakt, de pissaladière, dat is de Provençaalse uientaart.
We hadden hem al op voordat ik hem had gefotografeerd, dus ik heb een plaatje van internet gepikt:



Ik gebruik het recept van Elizabeth David. De recepten van internet gebruiken allemaal het kant-en-klare deeg uit de supermarkt, op een rol en inclusief bakpapier. Waarom dat niet in dit land wordt verkocht, ik weet het niet. Onhandige kleine vierkante plakjes bladerdeeg. Ik importeer altijd een aantal rollen die ik invries.

David gebruikt brooddeeg, maar mengt dat met boter en ei, waardoor de bodem iets kruimeliger wordt.
Voor de vulling: 1 kilo uien, 2 tomaten, zwarte olijven, ansjovis. olijfolie, zout en peper.
De uien in ringen gaarmaken in een pan met een scheut olijfolie, niet te hard, ze mogen niet bruin worden. De ontvelde tomaten erbij tot ze helemaal verdwenen zijn, en eventueel een fijngehakte teen knoflook.
Stort de massa ui op de met deeg beklede springvorm, versier hem vrolijk met ansjovisfiletjes en ontpitte olijven, in de oven op 200 graden en na 15 – 20 minuten ruik en proef je de Provence. Sommige mensen strooien er tijm over, zoals hier te zien is op de foto. Ook heel lekker, maar wij houden van de pure olijf-met-ui-smaak.

Sint Barbara

Op weg naar een reunietje van ons groepje dat onmiddellijk na het eindexamen een week naar Wales ging (1973), deden R. en ik in Utrecht het graf van A. aan, die vredig op Sint Barbara ligt. Ze was een van de eerste longkankerdoden in onze omgeving en zou zeker niet de laatste blijven.
Het leek een tijdje of iedereen aan de longkanker doodging: “ze vallen als rijpe appelen”, zou mijn vader gezegd hebben, ook alweer bijna vijftien jaar geleden overleden aan weer een andere vorm van kanker. Vrolijk word je er niet van, maar zo’n intieme begraafplaats biedt gelukkig wel enige troost. Een beetje tuinieren, tegen het graf praten, een gietertje legen, van die dingen. Tuinieren troost en ontspant, net als alle andere fysieke inspanningen die je voor je plezier doet.

Die avond verliep geanimeerd met een ouderwetse diashow, van onze Romereis uit 1972 en de aanleiding, het verblijf in Wales. Dat dit een beeldschoon land was, zagen we dankzij de dia’s nu pas echt, na 34 jaar. We kampeerden daar in een stukje priv?¬¨¬©-bos, naast een beek waarin we ons wasten en ons eten koel hielden. De herinneringen kwamen langzaam en soms abrupt weer boven: o ja, o ja!

Maar in Nederland met het Openbaar Vervoer ‘s avonds ergens heen gaan, neen, dat nooit meer. Aggressieve treinconducteurs, Centraal station afgesloten en even aggressief personeel bij de uitgang. En dan zijn ze verbaasd dat ze op hun bek getimmerd worden! We hebben ons kranig beheerst, maar het scheelde niet veel. Daar zijn we jammer genoeg nu te oud en te deftig voor.