Haisma


We woonden in Groningen in de Haddingestraat tegen de parkeergarage aan, dichtbij de Vismarkt. Aan de andere kant, de Zuiderdiepkant, zaten een paar raamprostituees, die er opvallend niet-hoerig uitzagen. Een mantelpakje met een handtas, model Margaret Thatcher. Ze zwaaiden altijd vrolijk naar ons en de oudste van de dames (65+), die kantoor hield naast een braak stukje grond, kreeg regelmatig klanten in rolstoel, die door de wijkverpleegster naar binnen werden gereden.

Op de hoek zat de Spar van meneer Haisma. Hij droeg een witte jas als een drogist en hield vanaf een entresolletje de zaak scherp in de gaten.
We hoopten altijd dat het druk zou worden, want dan riep hij door de intercom om hulp. Die intercom was volkomen overbodig, omdat de winkel zo klein was dat hij het met gefluister nog wel had kunnen bewerkstelligen. Zijn dochter bediende de kassa of vulde de schappen en als de rij inderdaad te lang werd, riep meneer Haisma de toverspreuk:”VALERIANO! KASSA BAI!”
Valeriano! Dat was de man van de dochter, een mooie Italiaan, die zich vast niet van tevoren had voorgesteld dat hij – verliefd geworden op het blonde meisje Haisma – zijn dagen zou moeten slijten in een stofjas in de Spar, de dwingende bevelen van zijn schoonvader opvolgend.
“Valeriano! Kassa bai!”. Probeer die naam maar eens op zijn Gronings.

Om een en ander aan te prijzen hingen in de schappen bij bepaalde producten wonderlijke met balpen geschreven briefjes, waarvan er een de optimistische boodschap had:”Nooit Geen Neefjes Meer!” Anti-luisshampoo.

Maar de grootste passie van meneer Haisma was dieven vangen. Vanuit zijn plateau loerde hij rond, terwijl hij net deed alsof hij aan het boekhouden was. Owee als je betrapt werd! Meneer Haisma wist niet hoe snel hij beneden moest zijn om de crimineel met behulp van “VALERIANO” bij zijn lurven te grijpen. De boeven maakten in die tijd kennelijk nog geen gebruik van messen of pistolen, want het was niet eens ongevaarlijk, bedenk ik me nu.
De politie kwam onmiddellijk en de dief werd met gebogen hoofd afgevoerd, vernederd door een opgewonden maar tevreden meneer Haisma. Hij had er weer een gegrepen!
E?¬¨¬©n keer was het weer raak. Ik zag de witte jas van Haisma als een luipaard zijn prooi bespringen en terwijl zijn schoonzoon de dief vasthield, draaide meneer Haisma het nummer van de politie. Zonder zich voor te stellen riep hij in de hoorn:”Kheb er weer ain!”
Dat waren nog eens tijden.

Verdwaald

Als je ge????nteresseerd bent in oude Franse landkaarten, om bijvoorbeeld te zien of het dorp waar je huis staat al in 1768 bekend was, kun je naar de digitale nationale bibliotheek van Frankrijk, als je tenminste de weg kunt vinden op de site. De pech is alleen, dat je maar een fractie van de kaart te zien krijgt en dat je zo’n kaart moet bestellen, als je hem helemaal wil zien.

Al een hele tijd geleden las ik bij het vrolijke weblog Hollandais en France dat ene Sylvain Chardon een manier had gevonden om de blokjes van 256×256 px waar deze zg. Cassini-kaarten uit bestaan aan elkaar te plakken en er een hele kaart van te maken.
Althans in de browser lijkt het een hele kaart, maar het zijn feitelijk 384 losse plaatjes, zoals dit:


Rechterbovenhoek van kaart 32

Nu is het gekkenwerk om al die kleine kutplaatjes aan elkaar te plakken, zeker voor iemand met het geduld van hongerige peuter (ik), maar met een stapel schermafbeeldingen is het te doen. Er bleven er nog 40 over en met behulp van het canvas als ijkpunt is het me gelukt de hele kaart in 1 jpg (6500 x 4000 px) te gieten. Mopper, mopper, vloek, vloek, dat wel.
De firma Profotonet uit Gouda heeft hem binnen 2 dagen keurig geprint en thuisbezorgd, voor slechts 25 euri + verzendkosten.

Deze zelfde Franse digitale bibliotheek gallica.bnf.fr bevat ook ander prachtig beeldmateriaal, zoals foto’s van Eug?¬¨?Üne Atget.

Daar kwam ik achter toen ik daar in het wilde weg aan ‘t rondhollen was, want zoals gezegd, van de navigatie van Franse sites snap ik nooit ene lor.

Ze hebben werkelijk de prachtigste dingen, de illustraties bij de fabels van Esopus, plaatjes van middeleeuwse manuscripten, het houdt niet op. Maar waar hebben ze nu die Cassini-kaarten gelaten? Ik vind ze niet meer terug.

Lepidopterologie

In plaats van ons bezig te houden met meneer Haisma – die komt later – zijn we vandaag na een dag van flutkarweitjes even gaan kijken naar het werk van onze buurvrouw Manon van Kouswijk. Haar expositie opende in galerie Ra in Amsterdam.
Ze maakt installatie-achtige kunstwerken. Parelsnoeren in zeep gegoten, bestek met tekst, geborduurde zakdoeken, zoals hier al eerder vermeld en nu vlinders.

We hebben haar al horen werken: kloppen, schaven en schuren en nu, na twee jaar is de resultaat te zien. Uit gewone dingen, gebruiksvoorwerpen, gevonden of gekocht, van de HEMA, het Waterlooplein, kinderspeelgoed, de Blokker is een vlinder gesneden.
Die vlinders liggen op kleur gerangschikt en zijn door Manon als Prikkebeen vastgespeld in vlinderdozen.

Ook de voorwerpen waar ze uit zijn gesneden zijn te zien. Een tennisbal, een koffiefilterhouder, een bekertje, een schoen. Een bizarre en fascinerende verzameling.

Dit werk hoort niet alleen thuis in een museum voor moderne kunst, maar past volmaakt in het Teylers, dachten we en warempel, laat er nu toevallig precies op dit moment een tentoonstelling over 18-eeuwse verzamelaars van vlinders zijn.

Manege

Vanochtend ging ik voor de gezelligheid op de fiets naar Yeva haar manege. Ik had eigenlijk een logje willen wijden aan het feestje van gisteren, waar ik echt geweldig had kunnen uitpakken met bekende namen, geen BN-ers, maar toch, allemaal niet van de straat. Er waren toevallig ook een paar gezellige fotografen die ik wel ooit heb gesproken, maar nog nooit had gezien.

Maar goed, ik ging fietsen en ik heb heel Amsterdam zo’n beetje gezien op mijn tocht, bij de brug over de Sloterkade bleek dat er een kraaiennest zat in een van de staanders, waarvan de binnenkant alleen maar te zien is als de brug open is. De ouders stapten deftig op en neer tot de boot voorbij was en toen de brug zakte. fladderden ze weer naar hun kinderen.

Vervolgens strandde ik in allerlei zandvlaktes op de Joh. Huizingalaan. Toch is het leerzaam, zo’n tochtje. Ik kom anders nergens dan in deze postcode of die van Frankrijk, dus ik keek mijn ogen uit. En op de fiets is toch weer heel anders dan met de auto.

De manege ligt een een stukje landelijk Amsterdam en nu ik er eens goed over nadenk, liggen alle maneges in deze buurt op een soort platteland. Er zakt altijd een kalme rust op me neer en dan schrijnt de heimwee. Daar zou ik toch eens iets aan moeten doen.


Paard Quietto opent deur

Yeva zat op een paard dat wel heel erg leek op een van onze Franse knollen. Hij heeft circuspaardaanleg.

Morgen gaat het over meneer Haisma van de Spar op het Zuiderdiep.

Giro


Bammie, Jojo, Giro en Elz in de keuken van de Haddingestraat

Toen ik in 1974 – vers uit de Randstad -voor het eerst in Groningen boodschappen ging doen, verbaasde het gebrek aan haast me het meest. (In de Intermarch?¬© bij ons tref je precies hetzelfde, de dames van de kassa besteden de meeste tijd aan kwekken met de klanten en worden absoluut niet zenuwachtig van de steeds langere rijen. De klanten kan het ook niks schelen en luisteren tevreden mee met de gesprekken.)

Er liepen in mijn tijd ook meer zonderlingen rond dan in al die andere plaatsen waar ik heb gewoond. Ik kreeg de indruk dat iedereen die enigszins afweek van de norm daar meer getolereerd werd. Of dat nu kwam door de tijdgeest, gecombineerd met de laconieke Groninger mentaliteit, weet ik niet.

Op de Vismarkt en de Grote Markt zat bijvoorbeeld vaak een gezette man wiens jas behangen was met medailles, hij riep af en toe wat en was op een gegeven moment verdwenen, dood, denk ik.


Jan de Roos heette hij, bedankt, Dineke

Dan had je verder nog allerlei types zoals Plopatou (waarvan ik bij Harry Perton lees dat hij nog bij zijn moeder woonde) en natuurlijk meneer Zwart, Popo Zwart, (“Mister Black”) die de maat sloeg bij het draaiorgel en toeristen de doodschrik bezorgde door zich plotseling met een ijselijke kreet in Kung-Fuhouding om te draaien. Hij kon nogal eens in schilderachtig Gronings schelden:”Vieze voele flikkers bent!”, was ongeveer wat ik verstond.

In die tijd leerde ik de Israelische David met zijn Roemeense vrouw kennen. David zag er uit als een jonge, dikke Henry Kissinger met zwarte krullen en een bril van -20, bijna blind dus, maar dat weerhield hem er niet van regelmatig naar de tijd te vragen. Als je dan op je horloge keek en je tot je grote schrik bemerkte dat het verdwenen was, hield hij dat triomfantelijk voor je neus. Meesterzakkenroller.

Ik kwam ze een keer ‘s ochtends tegen op de Vismarkt, waar ze altijd fiks insloegen. Na een praatje vroegen ze of ik even meeging naar huis iets drinken. Tuurlijk, gezellig.
Eenmaal ter plaatse begonnen ze onmiddellijk deeg te kneden, boden eerst nog wel koffie aan met veel zoet gebak, maar na een tijdje kwam de joint met whisky en meer eten, olijven, salades, en de gigantische pizza’s die ondertussen alweer gaar waren, chocola, meer taart.
Mijn tijdsbesef was na een paar uur niet meer aanwezig en ik dweilde daar stoned en volmaakt gelukkig op een oude sofa in Groningen, afdeling Midden-Oosten, etend, blowend en drinkend.
Ik kan me helemaal niet meer herinneren hoe ik thuis ben gekomen, maar wel dat ze een hagelwitte poes hadden, die bezwangerd was door de dikke cyperse kater van de overkant.
En een van die kleintjes was Giro, die niet meteen bij mij kwam, maar via een ongelukkige omweg, waar mijn toenmalige buurvrouw en de eigenaar van het Marokkaanse restaurant, die weer de huisgenoot was van David en zijn vrouw, iets mee te maken hadden. Maar dat vertel ik weer een andere keer.