Zondag

Kwint is nog niet helemaal de oude, maar heeft weer genoeg leven in zich om weer een beetje te spelen. Honger blijft hij altijd houden, hoe ziek hij ook is.
H?©, wat gaat ze eten? Omelet met champignons en bieslook.

Tolk


In de zon en uit de wind, als de zon tenminste schijnt
Vervolg van werken werken werken

Ik stond dus voor de deur van de fietsenmaker annex 2-taktreparateur te praten met een ouder Engels echtpaar, 70+ schatte ik, waarvan de man bij nadere bestudering ook nog een pufding in zijn mollige knuist geklemd hield. Hij zwaaide heen en weer en zo te horen kon er niet veel zuurstof inkomen. Ik zette me al schrap voor de 112, terwijl het gesprek ondertussen doorsudderde.
– Ik heb met Kerst mijn rug gebroken, verklaarde hij plotseling uit het niets. Ha, ik ben ontzettend goed in menselijk leed, al zeg ik het zelf, laat mij maar even de juiste knoppen indrukken.
– Hoe is mogelijk dat u hier dan zo maar staat?
En al wachtende in de rij tussen alle kapotte kettingzagen en bosmaaiers kreeg ik de hele geschiedenis in detail te horen, hoe hij gestruikeld was of eigenlijk uitgegleden over een richeltje van 2 cm (“nog geen inch”), en achterover was geklapt en even helemaal bewusteloos was geweest. Zijn vrouw had hem rollend de schuur in gekregen, want het was zo koud geweest.
-Dan hebt u wel geluk gehad dat alles het nog doet. Inderdaad, hij had natuurlijk helemaal niet verplaatst mogen worden, dat zijn ruggemerg intact was gebleven, dat was louter geluk. Ik zag dat kleine vrouwtje voor me in paniek die enorme zeeolifant van een man van haar over het bevroren grasveld duwen. Hij was net een paar weken uit de rolstoel. Dat hij zo vet was, had hem gered, zei hij. Ik dacht dat de klap misschien iets kleiner was geweest, als hij niet zo dik was geweest, maar zei dat niet.


Een beetje enge tor, die het huis in wilde, maar niet mocht

En daar waren ze aan de beurt en ik ging het trapje op naar mevrouw fietsenmaker, die meteen weer vrolijke toetjes trok en beloofde niks te zeggen tegen haar man over mijn suffe aankoop. Met mijn rechteroor in de richting van de werkplaats hoorde ik ondertussen hoe het ene misverstand zich op het volgende stapelde. De fietsenmaker verklaarde dat hij de kettingzaag niet kon repareren en de Engelsman vroeg wanneer hij hem weer kon ophalen. Ze bleven dan ook ieder hun eigen taal spreken en dachten de taalbarriere wel met het eeuwenoude misverstand van stemverheffing en herhaling te kunnen opheffen. Ik kon het niet langer verdragen en ging me ermee bemoeien. Zo tolkte ik tot ieders tevredenheid de spraakverwarring uit de weg. De zaag was in Engeland gekocht en alleen daar kon je dat speciale sleuteltje krijgen om dat ding te stellen. Enzovoorts enzovoorts.


Er moet nog eea worden gezaagd

Ik ging terug en kakelde verder met mijn vriendin die niet wist welke draad geschikt was voor mijn db, dus daar begon ze alweer te roepen. Alle klanten waren intussen geholpen en naar huis, want toen we met z’n twee?¬¥n de werkplaats betraden was die verlaten.
– Waar is hij nou, vroeg ze verbaasd.
– Het caf?¬© in, dacht ik en we giechelden eensgezind.
– Dat heb ik gehoord! riep hij en sprong achter een brommer vandaan. Daar schrok ik me warempel een tweede puistje.
Wat een stelletje, met hun lieve ogen en hun opgewekte karakter. Woensdag mag ik weer naar ze toe, dan heeft hij de ketting voor me geslepen. Ik kan hem nog ?©?©n periode gebruiken en dan moet er een nieuwe op. Afgesproken! Entendu!

Nu weer even iets anders schrijven.

Werken werken werken


1/3 deel gezeist

Er bereiken me laag bij de grondse berichten vanuit Amsterdam (aka de dorpspomp in de Antoniebreestraat, ik noem verder geen namen), als zou ik alleen maar z?®ggen hier aan het werk te zijn. Is dat aardig? Neen, en dat is bovendien stoken in een goed huwelijk. Ik zal het onthouden.
Het leek een hele mooie dag te worden, en daarom sprong ik vanuit bed meteen in mijn werkpak om verder te maaien. Gisteren probeerde ik de nieuwe bougie al uit en vandaag deed ik het volgende deel van het terrain. Ik moest jammer genoeg de tijd in de gaten houden, want ik had een afspaak met mevrouw Giraud van de melkboerderij, waar ik vanochtend vroeg telefonisch melk had besteld. Ik stond me daar lekker te maaien, in de geur van 2-takt en het geknetter van de motor, draai ik me om, staat de buurman vlak achter me. Ik schrok me een puistje, zou de moeder van B. gezegd hebben. Hij kwam alleen op de herrie af en wilde eens zien wat ik aan het uitspoken was. Ik was aan het werk, A.M., aan het werk. Oh nee, ik zou geen namen noemen.

We bekeken de fruitboompjes en ik noemde de namen, een mirabelle, een reine claude, een pommier d’ici, kom hoe heet-ie ook weer, reinette nog wat, enzovoorts. Ik had net de nieuwste boompjes uit hun anti-hertzwachtels gehaald en er bleek slechts aan ?¬©?¬©n van de takken te zijn geknabbeld, maar niet aan de stam. Dat werkt dus, een reep van een oud laken en inbakeren maar.


Die andere pommier d’ici, mooi meisje.

Met mijn suffe mandje, een paar lege plastic flessen, de bougiesleutel en de kettingzaag ging ik fris gedoucht weer een zoveelste rondje rijden. Dat is geen straf, want via de melkboerderij naar de fietsenmaker is ongeveer de mooiste rit hier in de omgeving. Ik was al gezellig aan het keuvelen met madame, toen er weer nieuwe klanten binnenstapten.
– Van wie is die 2cv, vroegen ze, is die van u, mevrouw Giraud?
– Die is van mij, ik stak mijn vinger op.
Hij had er vroeger twee gehad, en z’n gezicht vertoonde die bekende dromerige deuchistenblik. Ik vertelde dat ik hem uit Nederland had ge??òmporteerd, voordat hij zou denken dat ik uit Engeland kwam, stel je voor.
– Ah, Amsterdam!
Dat moest ik bevestigen. Hij had veel met de Bataven gewerkt, vertelde hij, want hij werkte bij La Poste en kende al die steden, Haarlem, Rotterdam, Den Haag. Maar verder dan Maastricht was hij niet geweest. Ik luisterde maar half, want dat woord Bataven hoorde ik hier voor het eerst live en ik vroeg me af of dat nu beledigend was of niet. Ik dacht het niet.
Bij de fietsenmaker stond een rij buiten. De klanten begonnen al opgetogen tegen me te roepen: ga maar in de rij staan! want de sfeer van de rijwielhersteller en z’n vrouw was kennelijk besmettelijk: iedereen was in een opperbeste stemming.
Ik praatte wat met deze en gene over het weer en de verwachting, tot mijn oog op een ongelooflijk dikke astmatische man viel, die zijn evenwicht probeerde te houden door met beide handen de muur vast te grijpen.
– Are you British, vroeg hij. Nederlands, zei ik en hij dacht al iets aan mijn accent gehoord te hebben. Nou ja!
Ik vermande me en vroeg naar hun huis en hoe ze het hier vonden. Het was hier heerlijk, alles was geweldig. Of ze vooral ook de mensen hier niet ontzettend hartelijk en gastvrij vonden. Jazeker.
– Het wordt natuurlijk ook wel gewaardeerd als je Frans spreekt, en dat was een beetje vals van me, want ze bekenden meteen dat ze geen woord Frans spraken. Ha, daar had ik ze! En dan iets over mijn accent durven zeggen.
Later op de dag komt het vervolg.

Aardpeer

Ik zat omhoog met die topinamboer en las overal: artisjoksmaak, en ja, op de bonnefooi in schijfjes gebakken, met wat spek en een uitje, nam ik een hapje en allemachtig, er drong zich een krachtige artisjokkensmaak op, of liever gezegd, het plakje aardpeer had gewoon de smaak van artisjok. D?†t is lekker en zeker met een beetje spek en een uitje, het is feilijk veel lekkerder dan artisjok.

Dat spek moet het natuurlijk wel spek van Baraille zijn.

Daar is het circus weer

Toen ik gisteren terugkwam van mijn activiteiten in Saint Sulpice, was het duidelijk: Kwint was alw?¬Æ?¬Ær ziek. Dat is toch niet te geloven. Dat arme beest is al z’n hele leven om de paar maanden, en met een beetje geluk elk half jaar, doodziek. Ik denk dat er deze keer een verband is tussen die onbekende beet en zijn ziekzijn. Na een paar pilletjes tegen de koorts is hij al weer iets opgeknapt. Hij stinkt deze keer niet zo gruwelijk, maar het blijft onbegrijpelijk.

Ik ging dus eerst naar de bibliotheek, waar een mij onbekende dame de ontvangst deed. Even hartelijk en behulpzaam als de rest en ik vertrok met drie boeken, om in de Salle Polyvalente te constateren dat d?†?†r mijn favo bibliothecaresse annex gemeenteraadslid uithing, waar ze de tentoonstelling surveilleerde samen met een andere dame, die ik wel van gezicht ken. Kuskus en kletsklets en ondertussen breiden de dames voort alsof hun leven er vanaf hing. Wat ze breiden, vroeg ik, een wiegdekje voor een baby, de een de voorkant en de ander de achterkant. Als ik het niet dacht.
Ik kocht de catalogus (annex lotnummer voor de tombola van 26 april!) en reed door naar Lucienne, waar ik werd begroet door Lucienne zelf, haar dochter en de hond van haar dochter. Toen we na veel geroddel en gekwetter er eentje namen, kwam de kleinzoon (19) met een vriend langs. Nu dacht ik toch dat ik Frans kon of kende, totdat deze twee jongens het op een kakelen zetten en mij weer ontnuchterd met de beide benen op de grond zetten. Hun eigen idiomatische patois de la jeunesse, zoals ik het maar noemde was onverstaanbaar, maar dat heb ik met bepaalde Nederlandse jongens van die leeftijd ook wel, dat ik ze niet versta. Ze praten razendsnel en binnensmonds, dat vinden ze heel erg stoer, denkelijk. Oma spreekt.

De jongens zeiden verbaasd dat er een circus in Dun stond, zoveel begreep ik wel.
– Met een aapje? vroeg ik.
Inderdaad, een piepklein circusje met een aapje.
Dat circus hadden Robertine en ik indertijd ook gezien, geen tent, open tribune, hoe dat moet gaan, geen idee, want het weer is niet erg aangenaam.
Ik was dat hele circus allang vergeten, toen ik er net langs reed en het hoofd van deze vrolijke telganger uit een trailer zag steken. Twee kamelen en een pony, en een hele jonge pup die eenzaam aan de ketting op een bergje stro zat. Het aapje kon ik nergens vinden.

Ik was in Dun geweest om bij de fietsenmaker naast het kerkhof een bougie voor de maaier te kopen. Dat is zo’n gezellige zaak! De vrouw doet de winkel en de kassa, de man de werkplaats, reparaties en onderhoud.
Zij vraagt elke keer luidkeels waar of dat ze het kan vinden en of ze wel de goede heeft. Ze begint al te roepen voordat ze goed en wel begonnen is met kijken, maar haar man komt bij de minste kik pseudo-mopperend het trapje op en controleert het productnummer, terwijl hij zijn hoofd schudt: Vrouwen!
Zij heeft op precies dezelfde manier al minstens drie keer: Mannen! gezegd. Ondertussen lachen ze uitbundig naar elkaar en mij, de klant. Ik was zo slim om er meteen een bougiesleutel bij te kopen, althans dat dacht ik, dat ik zo slim was, tot ik – eenmaal thuisgekomen – me realiseerde dat ik al jaren een bougiesleutel bij de spullen van die maaier heb zitten, die zat er gewoon standaard bij! Tjonge, lekker handig, de Korte. Nu moet ik met dit slappe verhaal terug naar de fietsenmaker, om z’n opvatting over het andere geslacht te bevestigen. Ik zal gewoon eerlijk bekennen, dat zal hij fijn vinden en de sleutel ruilen voor nieuwe draad, want de tweede fase grasmaaien gebeurt met de draad.

In het weiland (dat ik op het oog heb) staan de vier Fjorden, dit zeg ik tegen Yeva. Op de heenweg stonden ze er alle vier, terug was alleen deze te zien, die verder niet op mijn lokken inging. Het veulen van vorig jaar heeft onwaarschijnlijk mooie lange manen. Morgen zal ik het nog een keer proberen, als ik er weer langs kom.

Dagelijks leven in Frankrijk